Wat is CRT?
- Implanteerbare therapie voor patiënten met matig tot ernstig hartfalen (waarbij de oorzaak bekend is) en niet-gelijktijdig samentrekkende ventrikels (ventriculaire dissynchroniteit)
Cardiale resynchronisatietherapie (CRT) is een behandelingsmethode waarbij een soort pacemaker of ICD wordt geïmplanteerd bij bepaalde patiënten met hartfalen die ook ventriculaire dissynchroniteit hebben. Deze therapie zorgt ervoor dat beide ventrikels weer in een beter 'gesynchroniseerd' patroon samenwerken.

Hoe vindt cardiale resynchronisatietherapie plaats?
Cardiale resynchronisatietherapie vindt plaats via de afgifte van zeer kleine elektrische pulsen aan zowel het rechter- als het linkerventrikel. Er wordt een apparaatje onder de huid van de borst geplaatst (geïmplanteerd) en aangesloten op drie geleidingsdraden (zachte geïsoleerde draden) die via de bloedvaten in het hart worden ingebracht. Het lijkt op een pacemaker, maar terwijl een pacemaker een trage hartslag verhoogt, detecteert en corrigeert een CRT-apparaat ventriculaire dissynchroniteit.
![]() Werking van een CRT-systeem (642 kb) |
Er zijn twee implanteerbare systemen beschikbaar:
- Enkelvoudig therapiesysteem: biedt alleen cardiale resynchronisatie.
- Gecombineerd therapiesysteem: biedt cardiale resynchronisatie plus therapieën om ventriculaire tachyaritmieën (VT/VF) te behandelen.
Welk systeem geschikt is voor de individuele patiënt wordt door de arts bepaald op basis van de medische voorgeschiedenis en het antwoord op de vraag of deze patiënt een verhoogde kans heeft op ventriculaire aritmieën.
Cardiale resynchronisatietherapie kan iemand die aan hartfalen lijdt, een betere kwaliteit van leven bieden. Het is geen vervanging voor behandeling met medicijnen. Patiënten die kiezen voor cardiale resynchronisatietherapie wordt aanbevolen het gebruik van medicijnen voort te zetten volgens voorschrift van hun arts.

Wie is geschikt voor cardiale resynchronisatietherapie?
Patiënten met matig tot ernstig hartfalen met de volgende kenmerken kunnen er baat bij hebben:
- Patiënten van wie de ventrikels niet gelijktijdig samentrekken (ventriculaire dissynchroniteit).
- Patiënten die klachten blijven houden ondanks optimale medicijnbehandeling, en die dus een slechte kwaliteit van leven blijven houden (NYHA III of IV).
- Patiënten waarbij het hart niet meer in staat is om het bloed op een efficiënte manier rond te pompen: laag pompend vermogen (≤ 35%).
Wat gebeurt er tijdens de implantatie?
- Er wordt een kleine insnede gemaakt, meestal in het bovenste deel van de borst.
- Er worden drie geleidingsdraden (geïsoleerde draden die pulsen doorgeleiden naar het hart) ingebracht in het hart.
- Het CRT-apparaat wordt onder de huid geïmplanteerd.

Diagnostische mogelijkheden van het CRT-apparaat
Naast het afgeven van therapie zijn de CRT-apparaten (zowel de pacemakers als de ICD's) ook in staat om de behandelend arts te voorzien van een aantal belangrijke gegevens over de toestand van het hart, zoals de mate van activiteit per dag, de hartfrequentie tijdens de nacht en gegevens over de regelmatigheid van het hartritme.
Het CRT-apparaat van Medtronic is bovendien in staat om vroegtijdig vochtophoping in de longen te signaleren waardoor tijdig een aanpassing in therapie (b.v. medicatie of dieet) kan worden doorgevoerd.
Deze functie van het apparaat, genaamd OptiVol, heeft als voordeel voor de patiënt dat een ziekenhuisopname als gevolg van verergerd hartfalen mogelijk kan worden voorkomen.
OptiVol-vochtgehaltecontrole
De meeste CRT-apparaten van Medtronic beschikken over een OptiVol-functie. OptiVol is een diagnostische functie om het vochtgehalte in de longen te controleren. Hiervoor wordt een elektrisch stroompje van de in de rechterhartkamer ingebrachte pacemakerdraad naar het pacemakerkastje in de linkerborstkasholte gestuurd. OptiVol meet de weerstand van de elektrische signalen door de longen en slaat deze op.
Er is een verband tussen de gemeten elektrische weerstand en het vochtgehalte in de longen. Wanneer de weerstand stijgt, neemt het vochtgehalte af, en wanneer het vochtgehalte in de longen toeneemt, daalt de weerstand. De OptiVol-metingen kunnen dus een mogelijke verandering in het vochtgehalte van de longen aangeven.

De CRT-apparaten die over een OptiVol-functie beschikken, meten dagelijks de weerstand in de longen van de patiënt en vergelijken deze met een gemiddelde referentiewaarde van dezelfde patiënt. Zo ontstaat een waarde die de OptiVol-index wordt genoemd. Wanneer deze OptiVol-index een van te voren ingestelde waarde overschrijdt, gaat er een alarm af. In een dergelijke situatie bestaat er een verhoogde kans op vochtophoping in de longen binnen enkele dagen tot weken, en dient de patiënt zo snel mogelijk contact op te nemen met de arts/cardioloog.
Wanneer tijdig met verhoging van medicatie of andere medische behandelingen wordt gestart, kan een uiteindelijke vochtophoping en daarmee een mogelijke ziekenhuisopname in de meeste gevallen worden voorkomen.
Het vochtgehalte kan nog beter in de gaten worden gehouden wanneer de patiënt beschikt over een Patient Look-indicator, een thuismonitoringssysteem dat op het nachtkastje staat en elke nacht draadloos contact maakt met het CRT-apparaat om informatie uit te wisselen. Zo kan door de patiënt tijdig worden gereageerd wanneer er een wijziging wordt gemeten in het vochtgehalte of wanneer er hartritmeveranderingen optreden. De patiënt kan bovendien zelf dagelijks controleren of het lampje van de OptiVol-index brandt, en indien dit het geval is, in overleg met de behandelend arts/cardioloog tijdig naar het ziekenhuis gaan.
OptiVol biedt de mogelijkheid tijdig en adequaat in te spelen op een verandering in het vochtgehalte in de longen, een belangrijke, voorspellende waarde van vochtophoping als gevolg van hartfalen.

