Medtronic
Medtronic
Medtronic
Medtronic Home | Over Medtronic | Gezondheidsinformatie | Informatie voor patiënten | Informatie voor professionele zorgverleners
   
   
   
Medtronic
Medtronic

Medtronic
Medtronic
Hartritmestoornissen

Geïsoleerde onregelmatige hartslagen (extrasystolen genoemd) kunnen zich zowel bij gezonde als bij zieke mensen voordoen. Bij gezonde mensen zijn deze extrasystolen relatief zeldzaam en hebben ze geen gevolgen. Ze komen vaker voor bij mensen die eerder hartproblemen hebben gehad. Eén enkele extrasystole kan zonder voorteken het hartritme veranderen. Ernstige ritmestoornissen kunnen ontstaan bij verschillende aandoeningen of hartveranderingen, die weer de oorzaak zijn van een te trage of te snelle hartslag of een hartpauze. Een te snelle hartslag (meer dan 100 slagen per minuut) wordt tachycardie genoemd. Een hartfrequentie van meer dan 170 tot 180 slagen per minuut betekent een reëel gevaar. De situatie is bijzonder ernstig indien de impulsen van de hartkamers afkomen en niet van de sinusknoop. Deze vorm van snelle aritmie, ventriculaire tachycardie genoemd, gaat meestal gepaard met een gevoel van duizeligheid en zwakte. Indien de hartfrequentie verder wordt versneld tot meer dan 250 slagen per minuut, heeft men het over ventrikelflutter. Het hart kan dan maar een beperkte hoeveelheid bloed door het lichaam pompen. Ventrikelflutter kan snel leiden tot  ventrikelfibrillatie; dit wordt gekenmerkt door een volledig onregelmatige hartactiviteit (meer dan 300 hartslagen per minuut). Dit verstoorde ritme kan fataal zijn. De patiënten verliezen het bewustzijn en dienen onmiddellijk door een medisch hulpteam te worden gereanimeerd door middel van een elektrische schok die met een externe defibrillator wordt toegediend.

In het geval van boezemflutter en boezemfibrillatie is de situatie anders. De boezems kunnen 250 tot 300 keer per minuut samentrekken. Normaal gesproken is deze situatie niet extreem gevaarlijk, omdat de kamers tijdens deze episode veel minder snel samentrekken dan de boezems. Bij een volledige doorgeleiding van de hoge frequentie naar de hartkamers kan echter ventrikelflutter of ventrikelfibrillatie optreden. Bij patiënten die al eerder hartproblemen hebben gehad (aandoening van de kransslagaders of hartfalen) of die een elektrische geleidingsstoornis hebben (na een hartinfarct bijvoorbeeld), is het risico op ventrikelfibrillatie veel groter. Bovendien kan een reeds bestaande hartaandoening na verloop van tijd tot andere hartaandoeningen leiden. Bij patiënten met ventriculaire tachycardie of boezemfibrillatie kan bijvoorbeeld hartfalen ontstaan, of omgekeerd (zie het hoofdstuk "Hartaandoeningen").

Kritieke situaties zoals ventrikelfibrillatie kunnen worden behandeld met een externe elektrische schok; dit noemt men defibrillatie. Alle spiervezels van het hart worden op die manier gelijktijdig geprikkeld, zodat de sinusknoop opnieuw regelmatige impulsen kan genereren. Daarna herstelt het hartritme zich. De implanteerbare defibrillator is een doeltreffende bescherming tegen deze gevaarlijke hartversnelling. De ICD voorkomt of corrigeert mogelijke hartritmestoornissen wanneer het nodig is, en hij herstelt het normale hartritme.

In sommige gevallen is het hartritme niet te snel, maar te langzaam. In dit geval wordt van bradycardie gesproken. Het hart klopt minder dan 60 keer per minuut. Dit frequentietype wordt bij gezonde mensen meestal als ongevaarlijk beschouwd (bijvoorbeeld tijdens de slaap of bij sporters). Een te traag hartritme kan ook het gevolg zijn van een aandoening, en ernstige gevolgen hebben voor de patiënt. Voorbeelden van dergelijke aandoeningen zijn boezemaandoeningen en permanente bradycardie. Doordat de ICD het hart ook kan stimuleren, biedt hij patiënten met deze stoornissen een maximale zekerheid.

Normaal geleidingssysteem
Verstoord geleidingssysteem
(leidt tot tachycardie)





back
 

top